donderdag 23 juni 2011

Huwelijksverjaardag

Het begin was ongemakkelijk. Er zat recent verleden in de weg. Smeulend emopuin als ondergrond. Met ontblote ziel op scherven balanceren vraagt meer dan moed. Enkel verdwaasde ogen in verliefde hoofden denken in zo'n stekelhof een weg te zien om zonder schade langs te navigeren. Hoeveel keer wilden we er mee ophouden? Het mes erin dan maar, omdat verder gaan op dat moment te ingewikkeld was? Meenden we het ook echt? Ik vermoed van niet. Jij bleef sterk, ik bleef koppig. De energie die ons vervlocht die dagen wou niet wijken voor gezond verstand. En zo ontstond dat zotte verre toekomstplan. We zouden trouwen in 2000 als het dan nog steeds niet over was. Weet jij nog wie dat plan verzon? Wie het willen stoppen voor het eerst liet varen? Op welk moment openbaarde er zich onverwacht dan toch een toekomst? De nevel die zich aan de zon gewonnen gaf om de tot dan verborgen vergezichten vrijelijk te laten schitteren.

Zo gingen we dan toch van start. Eerst nog, zoals dat heet, in zonde. De tijden waren vriendelijk voor zondaars. Niemand die er moeilijk over deed. Nietzsche had god al een hele tijd geleden vermoord verklaard. Appartement huren, een huis of dochter kopen, af en toe wat onenigheid. Zelfs een officiële acte ondertekend door de schepen van burgerlijke stand waarmee we onze dochter als van ons verklaarden, passeerde de revue. Het geboortekaartje van die dochter met vooraan die wereldvreemde tekst vol dure ambtenarenwoorden, steekt in ons archiefje. Maar toen het jaar 2000 dan toch op de drempel stond te drummen moesten er beloftes ingelost. Ook een grapje verdient het nodige respect. Vreemd hoe ik me "het verzoek" niet meer herinneren kan. Misschien zat de skigek ook op dat moment wat in de weg. Maar daarboven op die gletsjer, dichter bij de hemel kon haast niet, stelde ik dus voor om ook in 't echt te trouwen. Omgeven door al dat wit - symbolen zijn er om te eren - zei je ja. Hoe gek deed ik toen? Moesten we toen gibberen of waren we daadwerkelijk ontroerd?

24 juni 2000 was een fijne dag. De dag kwam met zo'n kwakkel Belgisch zomerweertje. Geen mens die kon voorspellen wanneer de zon zou schijnen of de regen zou kletteren. Elk uur veranderde de hemel van gemoed. Van oneindig blauw over hoge witte plukken in de meest bizarre vormen, naar grijze donderwolken. Eerst de vreemde plechtigheid in het gemeentehuis. Een allegaartje koppels kwam samen met ons naar het schoon verdiep om ja te zeggen. Ondanks de peuter van achttien maanden op onze arm leken wij nog het meest geschikt om als trouwend stel te passeren. De anderen een vreemde mix van leeftijd en van ras. Hoe ik met die verlegen pruts op mijn arm vooraan bij de schepen, nog wel ja zei (riep haast eigenlijk), en dan terstond vergat mijn handtekening op het daartoe voorziene blad te zetten. De rijstkorrels en de angst in de ogen van onze dochter die de witte pitsen op haar lichaam voor gevaar aanzag. Ze leek in die vruchtbaarheid een bedreiging te herkennen. De lunch bij je moeder met familie en getuigen, de barbecue met wat meer volk in Rozendaal. Misschien miste je een openingsdans en de decibels die dan normalerwijze zouden volgen. Een slow op Sinéad, wat meer amplitude op Solsbury Hill. Misschien wou je de sfeer van de konijnenkot TD's voor even terug die dag. In dat groezelig zaaltje, met de geur van flauwe pils en sigaretten was een eeuwigheid geleden, een premature kiem gezaaid. Maar wat mij betreft was de dag perfect. Alles wat zo'n trouwdag hebben moet. Beduidend lichter dan klassiek. De warmte zat langs binnen, in de ogen van de vrienden en familie. Niet in het afwezig vuurwerk op de ontbrekende slagroomtaart die met trompet geschal en applaus wordt rondgedragen.

Nodig om te trouwen was het niet wat mij betreft. We waren ook wel bij vandaag geraakt zonder dat papier. Maar prettig was het wel en vanaf dan kon ik je ook zonder liegen 'mijn vrouw' noemen. Dat scheelde ogenblikkelijk in dagelijks gemak. Voorgoed gedaan met "mijn vriedin' (te tiener) of 'mijn partner' (beetje homo). Maar je was het allemaal tezamen toen, en nu nog steeds. Mijn lief, mijn partner, mijn vrouw en bovenal mijn maatje. Af en toe kan ik er bij zitten dromen. Mijn absences zijn niet altijd binnenknopen of werk gerelateerd. Aan tafel soms, met dat levenslustige getater van die minimensjes en hoe je met hen omgaat. Dan aarzel ik wel eens tussen pret en angst. Hoe lang nog denk ik dan, voor de buitenwereld zich ook bij ons komt moeien en met zijn gore willekeur de harmonie aan diggelen komt keilen. Wordt er iemand ziek, slaat ontij toe, of raakt de ene straks toch nog uitgekeken op de andere? Maar voorlopig duurt het voort en besef ik elke dag een beetje meer hoeveel geluk we hadden om verliefd te worden op iemand waar we ook mee kunnen samenleven. Ik vraag me wel eens af of dat niet meer jouw verdienste is dan de mijne. Geen vrouw of man, dat weet ik zeker, die zo goed aanvoelt hoe het moet met mij. Die heikele balans tussen loslaten en vasthouden. Me even volgen in mijn oeverloos en nutteloos gemijmer om me daarna, veilig en met zachte hand terug op de grond plaatsen.




Zoals de dood is ook de liefde veel te diep voor woorden, maar als het toch in woorden moet, vind ik nog steeds de juiste klank bij Bart. Elf jaar later, nog steeds helemaal juist. Net als op de uitnodiging voor het trouwfeest van 24 juni 2000

Bekentenis

Ik mag je.
Nee, ik mag je niet.
Ik moet je. Dat bedoel ik.

Ik heb je lief.

Nee, dat heb ik niet. 

Ik word je lief. Dat voel ik.

Ik ga met jou.

Nee, ga ik niet. 

Ik sta je bij. Beloof ik.

Ben stapel op je.

Hou je vast.

Ik. Hou. Van. Je.

Geloof ik.

zondag 5 juni 2011

De kakelraad

We zijn met veel. Elke ademtocht wat meer. Je kan het hier volgen. Allicht niet heel nauwkeurig, maar indrukwekkend is het wel. Over een probleem met toekomstperspectief gesproken.




En al die mensen praten onophoudelijk. Over allerlei maar bovenal toch over niets. Zoals gisteren. Honderd mensen in een zaal, een overdosis alcohol en als muziek vermomde decibels. Altijd weer de moeite om je hoofd er even uit te trekken en te observeren. Maar niet te lang, of je staat zo weer bij de deur om weg te vluchten. Die zanger van boven de Moerdijk, die me eerder al kwam voorliegen dat ik alles kon worden als ik maar mijn huiswerk kende, had het er ook al over. "Zoveel mensen op de wereld hebben zoveel uitgelegd", zong hij jaren terug. Dat bleef wel hangen. Doe mij ook maar stiller, of eerder, de afwezigheid van herrie, maar dan wel in prettig gezelschap. Omdat stil en eenzaam zo nauw verwant zijn voor een twijfelaar.

Zoveel mensen en zoveel uitgelegd dus. Maar hoeveel is "zoveel" vroeg ik me onlangs af. Natuurlijk was ik niet de eerste om die vraag te stellen. En omdat tegenwoordig het hele internet in mijn broekzak past kon het niet moeilijk zijn dat even uit te vlooien. Maar het internet komt zonder eindredacteur. Een zegen en een vloek. Als ultiem bewijs, deze woorden. Het is maar moeilijk kiezen zonder een te vertrouwen autoriteit in de buurt om kaf en koren van elkaar te scheiden. Al naargelang de pagina die google vindt, spreken vrouwen even veel dan wel drie keer meer dan mannen. Hebben we duizend dan wel zeventienduizend woorden nodig om ons door de dag te leuteren. Misschien was "zoveel" nog zo slecht niet. Waarom moet ik altijd verder graven? Moet alles dan altijd in een cijferhokje passen? Maar ik sta geen twijfel toe. Ook geveinsd zelfvertrouwen kan een doordeweeks ogenblik verlichten. Dus verzin ik een gemiddelde. Met 7500 woorden en 5 miljard praters, passen alle die letters op een stapel van 4000 km A4'tjes. Elke dag opnieuw.

Door de band genomen blijven al die klanken zonder al te veel gevolg, maar af en toe gaat het mis. Zo woonde er in onze straat een blonde god. Naast voetbalwonder ook de held van elk meisje uit de buurt. Twee jaar ouder en met een berg zelfvertrouwen die enkel op de fundamenten van het groot gelijk kon steunen. Hij ging me voor naar het middelbaar en liet niet na iedereen die toevallig luisteren kwam, deelgenoot te maken in zijn persoonlijke ervaringen met de onmenselijke eisen van de leraar latijn. Zelf had ik me laten vertellen dat iemand met mijn talent latijn moest volgen. Dat kon alleen maar goed zijn. Prima voor het geheugen en moest ik later ooit geneesheer willen worden, was wat latijnse achtergrond onontbeerlijk. Tegelijk angst voor en aangezet tot. Dat kon alleen maar tot een kortsluiting met vonken leiden. Ik herinner me die eerste lessen latijn nog vaag. Geenszins onaangenaam, maar ik had mezelf al de mislukking in gepiekerd. Na een maand gezeur trokken mijn ouders voor de eerste en de laatste keer naar school om met de directeur een aanpassing van mijn studierichting te bepleiten. Hoogst ongewoon maar toegestaan. De opluchting staat me nu nog bij.

Zes jaar later moest er weer gekozen. Altijd hatelijke momenten. Ik had in vijf en zes de richting met acht uur wiskunde willen volgen, maar omdat er slechts twee kandidaten opdaagden werd die richting afgeschaft. Toen ik twee jaar later overwoog natuurkunde te studeren werd me dat met veel overtuiging afgeraden door een voorganger met bolleboos reputatie die, hoe kan het ook anders, natuurkunde studeerde. Met zo'n beperkte achtergrond wiskunde zou me dat nooit lukken beweerde hij. Wat stom heb ik achteraf wel eens gedacht. Soms denk ik dat het een verschil zou gemaakt hebben moest ik die goedbedoelde, maar enigszins verwaande raad, naast me hebben neergelegd.